De Leerlooierij



In 1836 verzoekt Lambertus Feits op 49-jarige leeftijd het grietenijbestuur van Schoterland vergunning om een leerlooierij te mogen oprichten aan de westzijde van de Molenwijk.
Lambertus verdiende de kost aanvankelijk als schilder van behangsels en schoorsteenstukken, net als zijn vader Luitje. Nadat hij met Andrea van der Sluis uit een familie van leerlooiers was getrouwd, veranderde hij van beroep. Aan de Molenwijk hadden de schoonvader en zwager elk ook al een leerlooierij. Hoewel toen ook al bekend was dat deze tak van nijverheid behoorlijk wat stankoverlast met zich meebracht, kwam er alleen een bezwaar binnen vanwege het hinderen van een vrij uitzicht over de landerijen van de tegenoverliggende bewoner. Deze bezwaren werden te gering gevonden en fabriek kwam er dan ook.
Het bood in de beginjaren meteen al werk voor twaalf arbeiders en was daarmee een van de grootste bedrijven van Heerenveen. In 1857 liet Lambertus het bedrijf nog eens uitbreiden en twee jaar later, hij is dan al 72 jaar doet hij het bedrijf over aan zijn zoon Luitje Feits. Een jaar voor de dood van Lambertus zorgt ‘fabrijkant’ Luitje in 1867 voor een volledige herbouw van het bedrijf. De leerlooierij kwam later in handen van paardenhandelaar en producent van paardenhuiden Klaas Vrij. Vrij diende in 1912 een verzoek met tekening voor een belangrijke verbouwing van het bedrijf bij de gemeente in. De vergunning werd hem geweigerd vanwege de te verwachten stankoverlast. De ondernemer heeft zijn activiteiten aan de Molenwijk gestaakt en is verhuisd naar de Veenscheiding. Het complex aan de Molenwijk heeft daarna allerlei, meest marginale functies onderdak geboden.

Het huidige bedrijfscomplex dateert niet meer uit 1836, maar uit welke periode van de bewogen bouwgeschiedenis het wel stamt, is moeilijk in te schatten. De geleding met vensters en deuren van het gebouw was bijzonder. Het aardige effect is vooral te danken aan het feit dat in beide vleugels de bovenste bouwlaag fraaie reeksen rondboogvensters zitten die hier en daar ook nog hun kleine, decoratieve roedenverdeling bezaten. De muuropeningen van de begane grond en de verdieping van het hoofdgebouw waren rechthoekig. Enkele vensters bezaten nog hun oud, voor de negentiende eeuw wat ouderwetse indeling van twaalfruit schuifvensters. Deze indelingen zijn bij de retauratie teruggebracht en ook aangevuld. Zo zijn op enkele plekken waar geen vensters zaten voor een goed nieuw functioneren vensters aangebracht. Het is steeds gebeurd op een wijze die het karakter van de indeling respecteert. Enkele grote inbraken, vooral van de garageboxdeuren zijn vanzelfsprekend ongedaan gemaakt en sommige pakdeuren zijn iets gewijzigd of met geheel glazen panelen gedicht.

Aan de achterzijde was in het verleden zo sterk gerommeld dat de architect, geïnspireerd door het karakter van het gebouw, er met een programma van glazen nissen met diepe dagkanten een heel nieuw karakter aan heeft gegeven. Inwendig zijn de ruimten opgeschoond en ingericht tot lichte werkruimten voor allerlei functies. Sporen van de geschiedenis zijn in deze ruimten vooral te genieten van de balkenplafonds die allerlei sporen vertonen van het bedrijvige verleden. De ruimten worden met elkaar verbonden door een modern trappenhuis. Een royale spiltrap, omvat door een koker van glastegels zorgt voor de verbindingen. Alle units zijn voorzien van toiletten en kregen ook een vriendelijke pantry.
hv1
hv1 hv2 hv3 hv4 hv5 hv6 hv7 hv8 hv9 hv10 hv11